03/04/26

Tijdens een werkervaring als leesconsulent tussen bibliotheek en middelbare school, vorig jaar, viel me iets op. Terwijl de zorgen over dalende leesvaardigheid onder jongeren groeien, lijken docenten steeds voorzichtiger te worden met het aanbieden van ‘moeilijke, klassieke literatuur’.
Die terughoudendheid is begrijpelijk: wie leerlingen überhaupt nog aan het lezen wil krijgen, begint liever niet met een struikelblok, maar grijpt al snel naar toegankelijke, herkenbare verhalen. Maar ergens wringt het. Want wat gebeurt er met literatuuronderwijs als we vooral vermijden wat schuurt, vertraagt en uitdaagt?

Twee jaar geleden verscheen bij Uitgeverij Nobelman een bijzondere antologie: ‘U heb ik lief – De eeuw van Gerard Reve’, met bijdragen van gelauwerde auteurs, docenten, essayisten en journalisten als Nop Maas, Jean-Pierre Rawie, Jos Palm, Arjan Peters, Paul Gellings, Jeroen Vullings en Anton Brand.
Eén bijdrage sprong er voor mij in het bijzonder uit: ‘Mogen we nog een klassieker?’ van Marie-José Klaver, en wel vanwege een hoogst actueel thema.
Klaver is germanist en neerlandicus, geeft les aan de onderbouw en de bovenbouw van een scholengemeenschap havo en vwo. Ze publiceert regelmatig over literatuur- en leesonderwijs, over de groeiende ontlezing in het bijzonder. Artikelen van haar hand dragen veelzeggende titels als ‘Negen oplossingen om de crisis in het leesonderwijs te bezweren’, ‘Hoe de verleuking het literatuuronderwijs om zeep brengt’ en ‘Laaggeletterdheid vergroot de ongelijkheid en het is een schande dat we dat accepteren’. In haar essay in de Reve-antologie zoomt Klaver in op De Avonden van Gerard Reve en stelt ze het volgende:
Als je voorbij ‘leesplezier’ kijkt en de leerling niet onderschat, kun je haar deelgenoot maken van literaire tradities en klassieken leren waarderen’.
Het is echter geen ongebruikelijke praktijk dat docenten een negatieve leeshouding aan de dag leggen, waarbij leerlingen geleerd wordt personages moreel de maat te nemen en hun levenshouding te veroordelen. ‘Niet ongebruikelijk’, stelt Klaver.

Ik weet niet in hoeverre deze houding symptomatisch is voor het hele onderwijs. In mijn kortstondige carrière als leesconsulent tussen bibliotheek en middelbare school heb ik de scepsis onder docenten gezien: tegen moderne literaire vormen, waaronder graphic novels en Young Adult, en tegen vertalingen van buitenlandse literatuur – al komt het laatste vooral doordat vertalingen formeel niet op de eindexamenlijst mogen staan.
Maar die andere ‘tegenbeweging’ is wel degelijk gaande: angst of aversie om ‘moeilijke, oude boeken’ onder de aandacht te brengen bij jonge leerlingen, en daarover hebben we het hier. Leerlingen lezen minder en met aanzienlijk meer moeite dan voorheen, en hun docenten passen zich aan. Er is sprake van een didactische verschuiving van ‘canon overdragen’ naar ‘leesontwikkeling begeleiden’. Daarom kiezen docenten Nederlands tegenwoordig liever voor schrijvers die toegankelijk, herkenbaar en thematisch relevant zijn voor jongeren, daarbij op weg geholpen door leesconsulenten van bibliotheken. Denk aan onderwerpen als identiteit, mentale gezondheid, sociale media en diversiteit. Via toegankelijke en motiverende auteurs als Carry Slee, Mel Wallis de Vries en Buddy Tegenbosch bouwen docenten op naar werk van populaire volwassenenauteurs als Murat Isik, Hanna Bervoets, Griet Op de Beek en Marieke Lucas Rijneveld.

Terug naar De Avonden. Waar Klaver als oorzaak op inzoomt, is de negatieve houding van docenten. Wat er werkelijk aan de hand is, stelt ze, is dat de lat verontrustend laag wordt gelegd. Om die armoede te verhullen, wordt het hoofdpersonage Frits Egters gemakshalve gecanceld – in plaats van tot onderwerp te worden gemaakt van een tijdsgewricht waarin jonge mensen met existentiële crises kampen. Klaver stelt vervolgens terecht: ‘Als je jarenlang voorgespiegeld is dat je boeken vooral ‘leuk’ moet vinden, zullen de meeste verhalen tegenvallen.’
Tsja, Frits is nu eenmaal geen leuke jongen. Maar – en nu kruip ik even in een andere rol – juist door zijn ongebruikelijke, vaak nare karaktertrekken gaan de gebeurtenissen schuren en komt het verhaal op gang. Dat houd ik mijn schrijfcursisten regelmatig voor. Geef je personage een motivatie mee die gewone mensen vaak niet hebben. Als het personage Frits Egters niet tegen de kneuterigheid om hem heen was ingegaan, was De Avonden als een plumpudding in elkaar gezakt. Om nog niet te spreken van de psychologische diepgang van het hoofdpersonage en de existentiële crisis waarin het verkeert en die hem universeel en in iedere tijd herkenbaar maakt.

Klaver verwijst in haar essay ook naar een roman van Niña Weijers waaraan ik direct moest denken: ‘Kamers antikamers’ (2019). ‘Lezen als een criticus’ heet daarin een vak dat de hoofdpersoon in dit boek doceert, maar dat eerder ‘leren lezen op instapniveau’ zou moeten heten, aldus Weijers. Angst en moralisme kenmerken het leesgedrag van de studenten.
En er zijn helaas docenten die zelf niet voorbij dat instapniveau komen en hun eigen leeshaat gemakzuchtig en vernietigend doorgeven aan leerlingen. Die noemen De Avonden vanwege een uiterst onsympathiek hoofdpersonage ‘strafwerk.’
Dichteres Yentl van Stokkum (1991), die samen met journalist en radiomaker Jozien Wijkhuijs (1989) een podcastreeks over De Avonden maakte voor het Literatuurmuseum, verklaarde in een radio-interview:
Ik haat echt iedereen die erin zit. Ik vind ze echt extreem onsympathiek. Frits Egters is een pestkop. Hij heeft geen leuk hoofd om in te wonen.’ Van Stokkum besloot het boek niet uit te lezen.
Klaver veegt in haar essay de vloer aan met deze cancelcultuur: het in gemakzucht opgeheven vingertje was er altijd al. Of, om Gerard Reve zelf vrij te citeren:Vroeger wisten ze niets, nu weten ze opeens alles’, waarop hij doelde op de bekeerlingen die iedere nieuwe tijd voortbrengt.

Laat ik positief afsluiten. Ik ontving onlangs een enthousiast bericht van Sanne (24), die mijn cursus Kortverhaal voor de Schrijversvakschool in Utrecht afgelopen najaar volgde:
We zijn een leesclubje begonnen! Aankomende zaterdag is de eerste bijeenkomst en we gaan ‘De Avonden’ van Gerard Reve bespreken.’
Het zal wel een uitzondering zijn dat ik als docent een ex-cursist, die mij attendeerde op interessante nieuwe uitgaven van Das Mag, zover kreeg om uitgerekend De Avonden als eerste boek te introduceren op een kersverse leesclub. Het zegt waarschijnlijk meer over de dynamiek die er binnen de groep heerste, de positieve interactie met mij als docent en de mogelijkheden die ik hun als lezers en schrijvers bood.
De Avonden kan zich doorgaans op weinig belangstelling verheugen, zoals zoveel klassiekers. Feit is echter ook dat als je het boek op bevlogen wijze onder de aandacht brengt, in plaats van angst en scepsis te prediken, het op een verrassende gretigheid en nieuwsgierigheid kan rekenen:
eigenschappen die jongeren en jongvolwassenen immers óók eigen zijn.

‘U heb ik lief – De eeuw van Gerard Reve’ verscheen in 2024 bij Uitgeverij Nobelman (Groningen)